Voltooid tegenwoordige tijd #2

Voor de voltooide tijd gebruiken we meestal het werkwoord hebben. Het werkwoord dat op hebben of zijn volgt, noem je het voltooid deelwoord. Net als bij de onvoltooid verleden tijd, moet je het verschil weten tussen d- en t-werkwoorden. Op de volgende pagina kun je oefenen met woorden in deze werkwoordstijd.

Geplaatst in NT2 Oefeningen Getagd met